Een Staphorster kraplappenalfabet
Artikel

A
De A is van Appel. Zo wordt het motief van deze kraplap door Rouveense drachtdraagsters genoemd - in Staphorst staat hetzelfde motief bekend als perzik. Hoewel de streekdracht van beide dorpen als een dracht wordt beschouwd, zijn er toch kleine verschillen.


B
De B is van Boordje. Dit is de benaming voor de versiering onder de hals van de kraplap. Meestal is het boordje gemaakt van een stuk lint, met ingeweven (bloem)motieven. Het lint werd iets gerimpeld om passend te maken voor de halslijn. In de jaren 1980 werd het mode het lint vooraf te plooien met een plooimachine. Dit gaf scherpe plooien in het boordje.


C
De C is van Canada. Staphorster emigranten stuurden in de jaren 1980 wollen mousseline sjaals vanuit Canada naar hun familie in Staphorst. Van dergelijke ‘doekjes’ werden zogenoemde ‘doekjeswollen kraplappen’ gemaakt. Er werden verschillende soorten doekjes opgestuurd. Ze staan nu nog bekend als ‘doekjeswollen van Canada’.


D
De D is van ‘Doekiesgedrukt’. Een zogenoemde doekiesgedrukte kraplap is op patroon bedrukt met stipwerk. Vooraf schetst de drukster het patroon van beide panden op de stof. De vier hoeken die zichtbaar zijn tijdens het dragen zijn meer versierd dan het gedeelte dat straks door de schouderdoek wordt bedekt. Wij behangen namelijk niet achter een kast.


E
De E is van Eender. Wanneer je verschillende dochters had, probeerde je hen op zondag allemaal met eenzelfde soort kraplap naar de kerk te laten gaan. Hiermee kon je laten zien dat in het gezin alles in veelvoud aanwezig was. Uiteraard waren dan ook hun mutsen en schouderdoeken gelijk.

F
De F is van Fuchsia, een plant met hangende bloemen. Bij het knippen van de stof voor deze kraplap was de maakster daarvan blijkbaar niet op de hoogte.


G
De G is van Gedrukt, de lokale benaming voor het stipwerk. Bij stipwerk worden de motieven kleur voor kleur met stempels op stof aangebracht. Omstreeks 1910 werd het stipwerk in de Staphorster streekdracht geïntroduceerd. De kleurencombinaties hebben te maken met de rouw. De keuze voor de motieven is afhankelijk van de smaak en voorkeur van de draagster en de drukster.

H
De H is van HEMA, de Hollandse Eenheidsprijzenmaatschappij Amsterdam. Omstreeks 1970 verkocht deze winkelketen bedrukte kunstzijden sjaals, die erg geschikt waren voor het maken van kraplappen.


I
De I is van Innovatie. Nieuwe materialen zoals kunstvezels werden graag gebruikt voor kraplappen, onder meer vanwege hun goede wasbaarheid. Deze kraplap werd in de jaren 1970 gemaakt van een polyester jasschort, gekocht in een warenhuis in Zwolle.

J
De J is van jaarloon. Dit bestond vroeger niet alleen uit een jaarsalaris, maar werd bij diverse beroepsgroepen ook aangevuld met kleding - bijvoorbeeld een rok of een jas en een broek. Deze kraplap kreeg mijn grootmoeder omstreeks 1940 als veertienjarige van haar werkgever. Het was een aanvulling op haar jaarsalaris van 80 gulden. De kraplap was onderdeel van een set van twee kraplappen en een bijbehorende kerkschort. Inmiddels wordt de kraplap door de volgende generatie gebruikt.

K
De K is van kralenboordje. Dit is de lokale benaming voor een afwerking van op patroon geregen kralen. De kralen kunnen van porselein, glas of metaal zijn gemaakt. Ze worden geregen op naaigaren of visdraad (in Staphorst ‘kattedarm’ genoemd). De kralenboordjes gebruikte men meestal in de winter, op de kraplap die onder het winterjak gedragen werd. Aan de voor- en achterzijde was het kralenboordje dan gelijk. Voor een mooier effect werd er soms gekleurde stof of zilverkleurig snoeppapier onder het kralenboordje gezet.




L
De L is van Lurex, de merknaam voor een kunststof garen met een metaalachtige uitstraling. De ontwikkeling van deze kunstvezel in de jaren 1970 gaf een nieuwe impuls in de kraplappenmode. Het klinkt misschien niet direct logisch, maar deze kraplap met zilverkleurig dessin kan gedragen worden in het ‘zwarte’, dus bij de zware rouwdracht.

M
De M is van Meelzak. Deze zakken waren van stevige katoenen stof. Dit was zeer geschikt voor hergebruik als voering van een kraplap.

N
De N is van naaipatroon. Het maken van een kraplap begint bij het naaipatroon. Dit bestaat uit twee patroondelen: een voorpand en een achterpand. De bies rond de hals wordt op het gevoel uit de stof geknipt, hiervoor is geen naaipatroon. De meeste drachtdraagsters maken hun kraplappen zelf.

O
De O is van Oprijg, in Staphorst ‘volde’ genoemd. Kraplappen die te groot zijn krijgen één of meerdere oprijgen, om ze op de juiste maat te maken. Wanneer de draagster groeit, kan ze de oprijg(en) uithalen. Een nieuwe kraplap werd meestal op voorhand iets te groot gemaakt. Zeker voor meisjes die nog in de groei waren. Zo kon de kraplap langer mee.


P
De P is van ‘Pattieswollen’. Veel van de algemeen voorkomende dessins op wollen mousseline hebben een naam. Zo kunnen drachtdraagsters elkaar uitleggen wie wat wanneer droeg.
Het motief links, met slingerende ranken die aan paadjes doen denken, werd pattieswollen genoemd (‘pattie’ is dialect voor paadje). Om het ingewikkeld te maken: er bestaat ook een enigzins vergelijkbaar motief, zonder de slingerende ranken. Dit wordt wel aangeduid als ‘patties-zonder-patties’.




Q
De Q is van Quilt. Quilters verzamelen afgedankte kraplappen om de stoffen te gebruiken in hun quilts. In deze quilt is bedrukte katoenen kraplappenstof gecombineerd met indigo-geverfde schortenstof.

R
De R is van reproductie. Populaire dessins voor kraplappen werden soms gekopieerd en opnieuw op de markt gebracht. Soms in dezelfde kleuren en soms met een kleine afwijking, of, zoals in dit voorbeeld, op een geheel andere stof. De wollen sjaal (links) is hoogstwaarschijnlijk bedrukt in de jaren 80. Het dessin is gebaseerd op een bedrukte katoenen satijn van voor de Tweede Wereldoorlog.

S
De S is van Strik. De twee banden waarmee de kraplap sluit, worden aan de voorzijde gestrikt. Gedessineerde banden met een duidelijke voor- en achterkant worden zodanig gestrikt dat beide lussen en beide afhangende delen allemaal de voorkant van het lint laten zien.

T
De T is van Ter Meulen Post. Dit Rotterdamse postorderbedrijf had wollen sjaals in het assortiment, die prima gebruikt konden worden voor kraplappen. Dit ‘doekieswollen van Termeulenpost’ was niet zo geschikt voor de kerkdracht, maar bijvoorbeeld wel voor een kerkelijke feestdag, zoals Tweede Paasdag of Tweede Pinksterdag.

U
De U is van Uitpuzzelen. Textiel was kostbaar, dus werden patroondelen voor een nieuwe kraplap zo voordelig mogelijk uit de stof geknipt. De delen van de kraplap die tijdens het dragen door de schouderdoek werden bedekt, bestaan soms uit allerlei aan elkaar genaaide stukjes. Dikwijls ook nog eens met afwijkend dessins. Het had niet zozeer te maken met krenterigheid. Er werd veel zuiniger omgesprongen met textiel, omdat het op waarde werd geschat. Het voorpand van deze kraplap bestaat uit 26 stukjes. Dat is een hele puzzel geweest!

V
De V is van Vermaken. Wanneer een kraplap te klein werd, of het model was niet meer volgens de huidige mode, werd het kledingstuk niet weggegooid, maar vermaakt. Bijvoorbeeld door stroken in de lengte en/of breedte tussen te voegen of door de schouders te verlengen. Het vermaken van een kraplap kostte soms meer tijd dan het maken van een nieuwe.

W
De W is van Winter. De winter duurde in de Staphorster streekdracht van 1 november tot 1 mei. Ongeacht de temperatuur droeg je in die periode je winterkleding. Hierbij hoorde een winterjak, waaronder een zogenoemde ‘boordjeskraplap’ gebruikt werd. Hiervan waren tijdens het dragen alleen de beide ‘boordjes’ zichtbaar: één in de nek en één onder de hals. Vaak gebruikte men voor het maken van een boordjeskraplap een afgedankte kraplap en naaide daar beide boordjes op. Soms werd, zoals bij dit exemplaar, ook wat bijpassende stof rond de boordjes genaaid. Voor het geval er toch iets van de kraplap in het zicht zou komen.

X
De X wordt wel gebruikt als afkorting voor Extra. Bijvoorbeeld XL voor extra groot of X-factor voor een buitengewone eigenschap. Kraplappen worden soms extra versierd. Bijvoorbeeld als een dessin te ‘hol’ (leeg) is, of als er naar de smaak van de draagster een bepaalde kleur ontbreekt. Met de toevoeging van stipwerk kan dit worden opgelost. Dit wordt in Staphorst ‘bij-in-drukken’ genoemd.

Y
De IJ is van IJzer. Toen de halsopening van de kraplap nog nauwer was, sloten het voor- en achterpand op de linkerschouder met drie tot vijf paar haken en ogen. Deze konden gemaakt zijn van messing of al dan niet vernikkeld ijzer.
Tegenwoordig is de halsopening zo ruim, dat de kraplap makkelijk over het hoofd aangetrokken kan worden en is de sluiting op de schouder niet meer algemeen.

Z
De Z is van Zijde. Kraplappen van zijde waren er in allerlei soorten. Ze werden gedragen bij kerkdracht en voor speciale gelegenheden. Lang niet alle stoffen die door de Staphorster drachtdraagsters aangeduid worden met ‘zeden’ zijn ook daadwerkelijk van zijde. Ook katoenen satijn en kunstzijden weefsels worden (ten onrechte) vanwege hun glans ‘ziede’ genoemd.

Header: overzichtfoto van verschillende kraplappen. Fotograaf: Johan de Bruijn. Kraplappen afkomstig uit prive-collectie.
Aanvullingen